Martijn Tusveld is een ondersteunende renner uit Team Sunweb. Op dit moment is hij aan het revalideren van een smerige valpartij dat eerder dit seizoen plaatsvond. Wij vroegen hem de 5 Prologue-vragen, welke we iedereen uit de fietswereld voorleggen bij een interview. 

Martijn Tusveld

Foto: Cor Vos

1. Wat is je favoriete wielerboek?

De Renner van Tim Krabbé. Ik kreeg het boek voor het eerst in mijn handen op vakantie toen ik 13/ 14 was. Ik heb het in één ruk uitgelezen.

2. Wat was je eerste racefiets?

Een Decathlon, een heel goedkope. Mijn ouders wisten toen natuurlijk nog niet of ik wielrennen echt leuk ging vinden, dus kochten ze geen duur spul voor mij. Terecht!

3. Wie was/is je grootste wielerheld? Waarom?

Heb ik eigenlijk niet… Kan dat ook ?

4. Wat was je zwaarste dag op de fiets?

Lastige vraag. Een rit waar ik nog wel eens aan terugdenk is een etappe in de Vuelta Ciclista à Leon. Het was tijdens mijn eerste jaar bij het Rabo Development Team. De etappe zag er, gezien het profiel, niet erg indrukwekkend uit. Zo ook volgens onze ploegleider, die dacht dat we allemaal wel even in de eeste groep zouden moeten finishen. We wilden in de vroege vlucht proberen te komen. De eerste 50 kilometer was, zoals verwacht, redelijk vlak, maar vanwege de snelheid al behoorijk zwaar. Daarna kwamen er wat “klimmetjes”. Al waren het toch echt meer klimmen. De laatste 100 kilometer was dan ook loodzwaar. Aan het einde van de dag hadden we 3500 hoogtemeters in de benen, en kwam de eerste van onze ploeg op 16 minuten van de ritwinnaar over de meet. De hoogteprofielen in Spanje bleken toch niet helemaal te kloppen…

5. Wat is de beste wielren-gerelateerde tip die je ooit hebt ontvangen?

Om eerlijk te zijn heb ik het nooit als tip gehad, maar heb ik wel iets wat ik zelf wil meegeven. Het belangrijkste van een goede wielrenner is om plezier in de sport te behouden. Neem als voorbeeld de jongens waar ik mee reed gedurende de jeugdcategorieën. De meeste goede renners uit die periode fietsen nu niet meer, terwijl veel jongens van de tweede lijn (de nét niet toppers) het juist wél tot prof hebben gemaakt. Wellicht dat die mensen net te vroeg waren begonnen met écht hard trainen, en daardoor het plezier zijn verloren. Of dat ze druk van buitenaf (ouders?) hebben ervaren. Zelf heb ik dat nooit gehad. Als je als jeugdrenner prof wilt worden, moet het uiteindelijk toch echt uit jezelf komen en moet je van al het zware trainen en alle opofferingen, hoe raar het ook klinkt, kunnen genieten. Anders wordt het écht een zware tijd.